Dit voorjaar stopte ik met mediteren. Niet omdat ik er genoeg van had, maar uit nieuwsgierigheid. Ik wilde weten wat er zou gebeuren als ik een jarenlange gewoonte bewust wegliet.
Ik vermoedde dat het een negatieve invloed op mijn slaap zou hebben (onrustiger en minder diep) en dat ik minder zelfbewust zou zijn. Deels bleek dat te kloppen. Ook gedroeg ik me versnipperder (terwijl ik zeer gestructureerd kan werken) en ervoer ik minder hyperfocus. En – verrassend – ik werd oppervlakkiger én luchtiger.
Maar er gebeurde ook iets totaal onverwachts.
In veel van mijn trainingen combineren we het voorstellen van mij als trainingsacteur met een oefening in objectief waarnemen. Eerst invullen: wie denk je dat ik ben? Daarna speel ik een korte demo waarin ik een verwarde client ben met probleemgedrag. Dan is de opdracht: objectief waarnemen. Naderhand bespreken we de waarnemingen en altijd blijkt hoe snel en ongemerkt we toch invullen. Terzijde: Waarom deze twee oefeningen? Voor het ontrafelen en de aanpak van onbegrepen gedrag is invullen funest.
Maar dan de verrassing …
Jarenlang kreeg ik bij de eerste (invul)oefening te horen: “Jij doet vast aan yoga”. Of: “jij mediteert.” Of: “Je bent wel zen”.
Dit voorjaar gebeurde dat niet!
Blijkbaar was er iets aan mij veranderd dat anderen konden waarnemen, zonder dat ze wisten waar ze precies naar keken.
We kennen allemaal NIVEA, Niet Invullen Voor Een Ander. En toch. Binnen luttele seconden hebben we iemand al ergens ingedeeld. We denken te weten wie iemand is, wat iemand bedoelt, wat er aan de hand is.
Misschien is dat wat meditatie oefent. Niet een rustige geest – die blijft gewoon gedachten produceren – maar een andere verhouding tot die gedachten. Ze opmerken zonder er automatisch in mee te gaan. En misschien verandert daardoor ook iets in hoe je naar anderen kijkt. En hoe anderen jou ervaren.
Blijft de vraag: als anderen blijkbaar kunnen merken dat ik mediteer, wat merken ze dan precies?
En misschien nog interessanter: wat veranderde er in mij toen ik stopte?
