Onze Dikke van Dale definieert nederig als bescheiden, onaanzienlijk of gering. In een maatschappij waarin het belangrijk is om je te laten horen, voor jezelf op te komen, je licht niet onder de korenmaat te laten schijnen, is het niet verwonderlijk dat nederigheid een eigenschap is waar we niet bepaald de blits mee maken.
Behalve misschien dan in christelijke kringen. Immers, de Bijbel beschrijft nederigheid als een centrale deugd, waarbij we niet onszelf op de eerste plaats zetten maar juist God. “Wie zich vernedert voor God, zal door hem verheven worden.” Een aansporing om zachtmoedig, geduldig en vrij van hoogmoed en ijdelheid te zijn en de ander boven onszelf te stellen.
Wie zich daarentegen op de arbeidsmarkt, in de politiek of in de cultuursector met nederigheid profileert (een contradictio in terminis) zal het niet ver schoppen. Alles draait immers om gezien worden, ruimte innemen, grootsheid en kracht. Zelfs als het gaat over probleemgedrag in de ouderenzorg vergeten we snel de zwijgzame client met dementie die stilletjes de hele dag in een hoekje zit. Zo zijn we gefocust op reuring, volume, krachtige taal, indruk en impact en: ik/wij eerst.
Of moet ik het anders stellen? Zijn we ongevoelig (geworden) voor het zachte, het kleine, het langzame, de nuance?
Stel je een sollicitatiegesprek voor. De kandidaat noemt als kwaliteit zijn nederigheid. Wat is je reactie? Kun je je voorstellen dat je dat zelf zou noemen?
Tja, een onaanzienlijke eigenschap.
Meestal zijn er externe factoren ‘nodig’ om nederigheid te ‘kweken’: ziekte, tegenslag, debacles, dingen die niet gaan zoals we willen, ook al werken we nog zo hard. Dan worden we geconfronteerd met het feit dat we niet alles in de hand hebben en ervaren onze beperking. Zulke momenten kunnen ons zachter maken.
Ik pretendeer niet dat we nederigheid op onze CV moeten etaleren, ook niet dat het een gespreksthema moet worden. Maar ze vormt wél het beginpunt van echt contact. Niet omdat we onszelf klein moeten maken, maar omdat we durven erkennen dat we mensen zijn: beperkt, zoekend, gevoelig voor oordeel en afhankelijk van elkaar.
In de zorg, in teams, in organisaties—overal waar mensen samenwerken—blijkt dat precies de houding te zijn die veiligheid schept. Het is de grond waarop iemand tevoorschijn durft te komen. Het fundament voor ontwikkeling.
Het is zorgwekkend hoe vaak ik teams tref waarin medewerkers niet zichzelf durven zijn. Soms vanwege een collega, meestal vanwege een hogergeplaatste. En soms dringt dat diep het trainingslokaal binnen.
Ja, en dat heeft effect op het leerrendement. En op zoveel meer.
Soms kijken de trainer en ik elkaar fronsend aan: wie moet hier eigenlijk op cursus?
En misschien is dat wel de werkelijke glans van nederigheid: dat ze ruimte maakt. Voor de ander, voor onszelf, en voor het soort contact dat geen training kan afdwingen maar waar alles mee begint.
Nederigheid vraagt niet om minder zijn, maar om eerlijker zijn. De vraag is dus of we bereid zijn klein te durven zijn waar het ertoe doet. Misschien ligt daarin wel de echte professionaliteit: niet in het beheersen van technieken, maar in de moed om af te dalen naar die laag waar we elkaar werkelijk kunnen ontmoeten.
