Terwijl ik de deur van de woonkamer sluit, schuift er een schim langs het raam. Even verliest de stapel in mijn armen het evenwicht, maar het lukt me de laptop, de stapel boeken en de theepot zonder brokken neer te zetten. De figuur zakt op de stoel onder het raam. De handeling oogt zo natuurlijk dat mijn gedachten alle kanten op vliegen: wat doet die vreemde op mijn terras?
Ik loop naar het venster en zie: brede schouders, een zwart leren jack, een kaal hoofd met pet, handen als kolenschoppen die in de schoot van een versleten spijkerbroek liggen. De man groet als er een fietser voorbij komt. Als er geen raam was kon ik zijn nek aaien.
Ik open de tuindeur. ‘Goedemorgen, meneer, alles in orde?’
‘Oh, prima.’ Hij komt overeind. ‘Mag ik van het toilet gebruik maken?’
Mijn verwarring neemt toe. Is dit een truc en loopt zijn compagnon achterom? Je hoort soms van die verhalen. Tegelijk herinner ik me situaties waarbij anderen míj behulpzaam waren.
Herken je dat gevoel? Dat je denkt: er klopt iets niet, al kun je er nog geen woorden aan geven?
De man loopt naar de deur die toegang geeft tot de hal. Daar wijs ik hem het toilet, maar dat blijkt onnodig – ondanks de 4 deuren in de hal -. Ik vraag me af wat hier spreekt: intuïtie of achterdocht? Voor de zekerheid wacht ik in de hal. Het water spoelt en even later staat de vreemde weer in de gang.
‘En dan is dit de slaapkamer,’ vervolgt hij terwijl hij naar de deur van de logeerkamer loopt.
‘Dat klopt,’ zeg ik, maar loods hem handig terug naar de woonkamer.
Daar kijk ik hem voor het eerst goed in de ogen. Ik voel een vermoeden opkomen.
‘Ik heb 30 jaar in Ruurlo gewoond,’ begint de man, ‘aan de XXX-straat. Mooi wonen hoor.’
Mij zegt de straatnaam niks, maar ja, hoe lang woon ik er? ‘En waar woont u nu?’ vraag ik.
‘In Amsterdam, dichtbij de kinderen. Maar er gaat niets boven Ruurlo, al dat groen, de rust. Ik heb een grote moestuin …’ Er rinkelt een telefoon. De man vist zijn mobiel op en stuntelt wat met de knoppen. Terwijl hij telefoneert bestudeer ik hem: ietwat verlopen, slordig geschoren, een vlek op het shirt en ook valt me de waas in de ogen op. Een waas die moeilijk te beschrijven is, maar die ik inmiddels goed ken. Aan de andere kant van de lijn klinkt een stem die ik meen te herkennen. Maar wie?
‘Ik kom hier vaak,’ vervolgt de man na het belletje terwijl hij naar de open keuken loopt.
‘Uhm, meneer, ik ga u de deur uitzetten, ik moet zo weg.’ Non-verbaal troon ik de man in de richting van de tuindeur. Gelukkig loopt hij mee. Op het terras ploft hij weer in de tuinstoel alsof dit zijn plek is. ‘Wat doet u voor werk?’ begin ik.
De man steekt van wal, zijn ogen twinkelen. Ondertussen bedenk ik koortsachtig hoe ik dit oplos. Laat ik hem daar zitten terwijl ik vertrek? Maar als het klopt wat ik zag, is dat niet goed.
Op het zandpad voor het huis verschijnt de beheerster van het vakantiepark.
‘Ah, meneer YYY, daar bent u,’ roept ze, ‘we zochten u al! Ik heb een ander huisje voor u. Het huis dat u altijd huurde, is verkocht.’
De dag erna hoor ik dat het stel door hun zoon is opgehaald. Het ging niet meer.
Toch denk ik nog vaak aan die man.
Niet omdat hij zomaar mijn terras opliep. Maar omdat hij zich er zichtbaar thuis voelde.
Wat moet dit verlies voor deze man moeilijk zijn.
Misschien is dat wat dementie zo ingrijpend maakt. Voor hem was er niets vreemds aan die ochtend. Het toilet zat waar het hoorde. De slaapkamer ook en hij zat in de tuinstoel op de plek waar hij jaren kwam.
Alleen was de tijd verder gegaan, zonder hem.
Nee, die ochtend zat er geen vreemde man op mijn terras.
Er zat iemand die onderweg was geraakt tussen vroeger en nu.
